SPAT onderzoekt

Robotisering van de samenleving: waar liggen de grenzen?

Onbewust of niet, we worden al een lange tijd geconfronteerd met het bestaan van robots. Robots zijn apparaten die uit zichzelf werk kunnen verrichten. Dit zijn meestal robots die er als een machine uitzien en het werk van mensen overnemen in fabrieken en laboratoria. Er is hierbij geen sprake van het gevoel van een echte relatie met de robot. De mens kijkt naar de robot op eenzelfde manier als hij of zij naar een machine kijkt. Er kan wel een gevoel van verbondenheid zijn, maar dan op een manier zoals men gek is op een bepaald soort auto. Een machine, zoals een auto, is passief en gaat geen interactie aan, waardoor de relatie met de machine enkel in het hoofd van de mens kan bestaan (Dautenhahn, 2003, p. 443). Een complexere relatie is echter zijn intrede aan het doen: de relatie van de mens met een robot die op een mens lijkt.

xngghg
Repliee Q2

Het bestaan van de robot die op ons, de mens, lijkt, is vrij recent. Binnen dit soort robots die op mensen lijken, is een onderscheid te maken. Waar mensachtige robots amper te onderscheiden zijn van de mens, nemen humanoïdes alleen de basis van de mens over zoals het hoofd, de romp, de handen, de benen en eventueel de ogen. Bij humanoïdes ontbreekt de gezichtsuitdrukking die bij mensachtige robots juist de robot levensecht maakt. Vooral in Japan, Korea en China zijn ze ver in het ontwikkelen van deze robots die levensecht lijken (Bar-Cohen & Henson, 2009, pp. 1-4). Een voorbeeld hiervan is de robot Repliee Q2. Deze robot bootst een Japanse vrouw na en is amper van een echte vrouw te onderscheiden. Repliee Q2 kan bewegen, gebaren maken en verschillende gezichtsuitdrukkingen en mondvormen aannemen (Matsui, Minato, MacDorman & Ishiguro, 2005, p. 353). Het ontwikkelen van deze robots ,die de mens kunnen vervangen, maakt ze inzetbaar voor complexe taken en ter vervanging van minder vaardige werknemers (Bar-Cohen & Henson, 2009, pp. 5-6). Maar als robots op minimaal hetzelfde niveau als wij kunnen presteren, gaat deze ontwikkeling dan niet ten nadelen van het werk van de normale mens?

Een recente ontwikkeling op het gebied van robots in Nederland is de zorgrobot Zora. Zora is de eerste robot die in Nederland in zorginstellingen actief is. De bedoeling van deze robot is dat ouderen vermaakt worden. Zora kan praten, zingen, rekenen en bewegen en zorgt ervoor dat er sprake is van meer interactie tussen ouderen. De ontwikkeling van robots als Zora speelt goed in op de toenemende kosten in de zorg als gevolg van de vergrijzing. Zora ondersteunt werknemers bij hun werkzaamheden en kan de zorg zo relatief goedkoper maken. Daarnaast stimuleert een robot als Zora de sociale vermogens van ouderen die zich met behulp van Zora meer weten te vermaken. In de zorg hoeft deze robotisering dus niet voor problemen te zorgen, omdat robots in deze sector vooral positieve bijdragen blijken te hebben. Maar een robot als Zora lijkt ondanks het kunnen praten en bewegen toch nog op een machine en niet op een mens, hier kunnen we bang van worden.

Waar we al niet blij waren met robots, omdat deze ons werk afpakken, worden we nu ook echt bang van de robots die het uiterlijk van de mens aannemen. Deze angst voor robots die op mensen lijken kan worden verklaard met behulp van een theorie van Masahiro Mori uit de jaren zeventig, genaamd Uncanny Valley. Deze theorie toont met behulp van een grafiek aan dat de reactie van de mens van empathie naar afkeer zal gaan, wanneer geprobeerd wordt, maar het niet lukt om een robot een levensecht uiterlijk te geven. De ene kant van het spectrum wijst op de affiniteit ofwel natuurlijke interesse die we met machines hebben: (bijna) geen affiniteit. Dit heeft te maken met de gelijkenis met de mens die bij machines ontbreekt. De menselijke functies in plaats van het uiterlijk van de mens worden nagebootst. Het andere uiterste is de affiniteit die we met de mens hebben: maximale affiniteit.  Een belangrijk punt wat tussen deze twee vormen van affiniteit ligt, is de relatie met een mensachtige robot. De theorie stelt dat we het minste affiniteit hebben met robots wanneer de robot bijna een kloon is van de mens, maar er toch net iets anders uitziet. We krijgen in dit geval een gevoel van afkeer jegens de robot.

Grafiek die de uncanny valley weergeeft
Grafiek die de uncanny valley weergeeft

Mori geeft als gevolg van deze valkuil in de ontwikkeling van robots, de uncanny valley, robotontwikkelaars het advies dat ze de eerste piek in de grafiek moeten proberen te bereiken in plaats van de tweede piek waar de mate van affiniteit hoger ligt. Hij stimuleert hiermee de ontwikkeling van robots die enigszins wat van de mens weg hebben, maar nog duidelijk te onderscheiden zijn van de mens. Waar deze theorie zich richt op het uiterlijk, heeft Lincoln University zich gefocust op het innerlijk van de robot. Uit onderzoek van de Lincoln University blijkt dat mensen meer van robots houden wanneer deze fouten maken, dan wanneer ze alles goed onthouden. Deze imperfectie komt overeen met hoe we de mens zien: niet perfect tot in de puntjes. Als robots dus de kant van de mens opgaan, moet dit ook goed gebeuren: lijkend op de imperfecte mens.

Kevin Warwick benadrukt dat we ons technologisch moeten blijven ontwikkelen om niet overlopen te worden door robots. Een van de manieren waarop dit kan is door mensen cyborg te laten worden. Net als een robot is ook een cyborg een zogenoemde mens-machine. Maar waar een robot mechanisch is, is een cyborg een levende machine. Er is sprake van een versmelting van biologie en technologie (Lister, Dovey, Giddings, Grant & Kell, 2009, p. 421). De grens van wat wel en niet een cyborg is, is afhankelijk van je definitie van een cyborg (Warwick, 2003, p. 131). Volgens sommige mensen, waaronder de uitvinder van het woord ‘cyborg’, is de mens altijd al een cyborg geweest. Er is altijd al een connectie geweest tussen de mens en de technologie. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van je iPhone. Nadat je in korte tijd hebt geleerd hoe deze werkt, verricht je alle handelingen op je iPhone automatisch en is het een deel van jezelf geworden. Maar als we van de meeste enge definitie van een cyborg uit gaan, is Warwick de eerste officiële cyborg op aarde. Doordat hij een radiozender in zijn arm heeft laten implanteren kan hij lampen aan- en uitzetten door met zijn vingers te knipperen. Door een cyborg te worden, vergroot de mens volgens Warwick zijn of haar capaciteit waardoor we niet overlopen zullen worden door robots.

Misschien ontkomen we niet aan de robotisering van de maatschappij, maar dit hoeft geen nadelige gevolgen te hebben. Als robots op de juiste manier ingezet worden, zoals in de zorg, kunnen we juist profijt van ze hebben. Maar alleen wanneer robots juist niet of juist compleet op de mens lijken, vinden wij de robots leuk. Ook vallen wij meer voor robots die een vorm van imperfectie laten zien, aangezien de mens ook niet helemaal perfect is. Om te voorkomen dat de mens technologisch achterblijft bij de ontwikkeling van robots, kan het technologisch ontwikkelen van de mens belangrijk zijn. Dus door zelf vorm te geven aan de manier waarop robots in de maatschappij ingepast worden, kunnen robots zelfs een steentje bijdragen aan onze maatschappij.